Egbert Estié (1865-1910) heeft een enorme invloed gehad op de aardewerkindustrie in Nederland in de periode rond de vorige eeuwwisseling. Hij stond aan de wieg van drie bekende plateelfabrieken en het hoogtepunt van zijn carrière viel samen met het hoogtepunt van de Art Nouveau in Nederland. Estié was een slimme zakenman die zich onder andere liet inspireren door het succes van zijn concurrenten.
De Nederlandse aardewerkindustrie bestaat al sinds mensenheugenis en kent een aantal hoogtepunten. Een daarvan is het polychrome sieraardewerk in de Art Nouveau-stijl dat rond het einde van de 19de eeuw niet alleen in Nederland, maar internationaal enorm in de belangstelling stond. Dit aardewerk wordt ook wel plateel genoemd, naar een oude Franse benaming voor een platte schaal. Bekende plateelfabrieken zijn Rozenburg uit Den Haag (1883-1917), Faiencefabriek Holland uit Utrecht (1895-1907), De Firma Wed. N.S.A. Brantjes uit Purmerend (1895-1904), De Distel uit Amsterdam (1895-1922), Haga uit Purmerend (1904-1907), Plateelbakkerij Zuid-Holland uit Gouda (1897-1963) en De Kroon uit Noordwijk (1906-1910).

Van atelier naar plateelfabriek
Bij drie van bovenstaande plateelfabrieken was Egbert Estié betrokken als oprichter en eigenaar. Estié begon zijn carrière als kunstschilder in Amsterdam en had een “Atelier voor fabrikage van en handel in kunstschilderswerken, photografieen, lijstwerken en aanverwante artikelen”. In 1894 ontmoette hij Clementine van Rijn, de weduwe van Nicolaas Brantjes. Brantjes had een aardewerkfabriek in Purmerend voor vuurvaste oventegels en smeltkroezen. Estié overtuigde de weduwe om de ovens aan te passen en te starten met de productie van sieraardewerk. Op 11 oktober 1895 werd een vergunning aangevraagd door de Firma Wed N.S.A Brantjes & Co voor de verbouwing van de fabriek om deze “te moge inrichten tot een fabriek voor het maken van Delftsch en ander aardewerk”, zo is terug te lezen in de archieven van de gemeente Purmerend.

Nieuwe kansen in Gouda
Twee jaar later, in 1897, ging Estié een nieuwe uitdaging aan: hij startte de Plateelbakkerij ‘Zuid-Holland’ E. Estie & Co. in Gouda, samen met Adrianus Jonker. Gouda was al sinds de 17de eeuw bekend om de productie van aardewerk (o.a. Goudse tabakspijpen) en Jonker was erfgenaam van verschillende aardewerkfabrieken, waar grof gebruiksaardewerk werd gemaakt. De familie Jonker bezat veel industrieel onroerend goed in het centrum van Gouda en een van de fabrieken werd omgebouwd voor de productie van sieraardewerk. Estié’s inbreng bij de start van de fabriek bestond onder andere uit de expertise die hij in Purmerend had opgedaan en modeltekeningen en -vormen. Zijn ambitie, zo bleek uit de inschrijving bij het handelsregister was om: “Eene industrie tot stand te brengen in den geest van het vermaarde Rozenburgsche en Delftsche aardewerk.”
Succes door inspiratie én imitatie
Helaas zijn de archieven van Plateelbakkerij Zuid-Holland verloren gegaan toen de fabriek in de jaren 60 uiteindelijk failliet ging. Maar aan de hand van recent onderzoek zijn de eerste tien jaar van de Plateelbakkerij Zuid-Holland (PZH) gereconstrueerd. In februari 2025 verscheen het boek: De Plateelbakkerij ‘Zuid-Holland’, 19897-1918, Opnieuw Bekeken. Dit boek beschrijft de vroege periode van de fabriek en de ontwikkeling van de modellen en decors. In het boek wordt duidelijk dat Egbert Estié in een korte tijd een zeer succesvolle onderneming uit de grond stampte, die ook internationaal veel bekendheid kreeg. Een van de redenen van dit succes is ongetwijfeld toe te schrijven aan Estié’s kunstzinnige visie. Maar een ander deel ook aan het feit dat hij zich liet inspireren door zijn concurrenten.

Modellen van verschillende fabrieken lijken sterk op elkaar
In het boek De Plateelbakkerij ‘Zuid-Holland’, 1897-1908, Opnieuw bekeken heeft de auteur gekeken naar de overeenkomst tussen modellen van PZH en andere fabrieken. Zeker in de eerste productiejaren van PZH werden modellen en decors geïnspireerd op het werk van concurrenten. Er zijn verschillende vroege Gouda-modellen, die een exacte kopie lijken te zijn van modellen van Faience- en Tegelfabriek Holland uit Utrecht. Niet alleen de modellen, maar ook de schilderstijl van deze fabriek, zie je op veel vroege objecten terug. De invloed van Holland-Utrecht lijkt veel groter dan van andere (toen) populaire fabrieken, zoals Brantjes uit Purmerend (waar Estié eerder werkte) of Rozenburg uit Den Haag. We zullen nooit weten of het zijn streven was om de stijl en kwaliteit van Holland-Utrecht na te bootsen of dat dit het resultaat was van het beschikbare personeel, toen Estié zijn eigen fabriek startte in 1897 en verschillende medewerker – modelmakers en plateelschilder – meenam vanuit Purmerend en aantrok vanuit Utrecht, Den Haag en Delft.

Delfts blauw uit Gouda
Estié introduceerde in de eerste paar jaar van productie verschillende decors. Heel bekend zijn natuurlijk de typische Gouda-decor, in donkere kleuren, met flora motieven in typische Art Nouveau-stijl. Een ander decor was het Delft-decor, geïnspireerd door het succes van Joost Thooft en Abel Labouchere van De Porceleyne Fles in Delft. In augustus 1900 nam Estié de bekende plateelschilder Henri Breetvelt aan, die had gewerkt bij De Proceleyne Fles en samen met zijn vrouw werkte als zelfstandig keramisch kunstenaar. Breetvelt ontwikkelde voor PZH verschillende Delft-decors in het bekende Blauw-wit, maar ook in polychroom, en decors bestonden uit bloemen, vogels of typische Hollandse stijl-elementen, zoals landschappen met schepen en molens.

Porselein-decor naar Haags voorbeeld
Een andere ‘innovatie’ van Egbert Estié was het P-decor. Deze objecten worden ook wel ‘kantjes-aardewerk’ genoemd, naar de fijne lijntjes en stippen waaruit het decor is opgebouwd. Deze nieuwe decors waren geïnspireerd op het succes van het eierschaalporselein van Plateelfabriek Rozenburg uit Den Haag. In 1899 werd bij de Rozenburg gewerkt aan een nieuw soort keramiek, dat op hogere temperaturen werd gebakken. Het resultaat zou op de Wereldtentoonstelling in Parijs in april 1900 voor het eerst worden getoond aan het internationale publiek. Het porselein van Rozenburg was roomwit, flinterdun, bijna doorzichtig en beschilderd met decors in Art Nouveau Stijl, die waren geïnspireerd op Japanse prenten en Franse naturalistische stijlboeken.

Op de wereldtentoonstelling in Parijs was het eierschaalporselein een enorm succes. Er was veel lof voor de technische prestaties, de productietechniek en de decoraties, die zo in naadloos aansloten op de toen heersende trend. Rozenburg eierschaalporselein werd beschilderd met bloemen, vogels en insecten in kleurvlakken die waren opgebouwd uit ragfijne lijntjes en stippen. Een noodzaak in het productieproces, omdat het flinterdunne biscuit geen dekkende lagen verf kon verdragen.

Estié onder vuur vanwege kopieën
Egbert Estié lanceerde zijn P-decor in 1901. De ‘P’ staat voor ‘Porcelein’, wat geen twijfel laat bestaan over de inspiratiebron. Objecten met het P-decor waren niet van porselein, maar van aardewerk. Estié gebruikte zijn eigen modellen om de eerste P-productie te vervaardigen. Vanaf februari 1901 startte verschillende ex-Rozenburg plateelschilders hun nieuwe betrekking in Gouda om de productie van het populiare P-decor snel te vergroten. Ook werd er bij PZH gewerkt aan de introductie van nieuwe modellen, die verdacht veel overeenkomsten hebben met bekende Rozenburg objecten.
In 1902 klaagde de directie van de Rozenburg fabriek al over de toegenomen concurrentie uit Gouda en het feit dat veel modellen en decors een grote vergelijking vertoonden met het werk van Rozenburg. Omdat er geen wettelijke basis was voor de bescherming van intellectueel eigendom (de Nederlandse Octrooiwet startte pas in 1910), was er weinig wat Rozenburg kon doen om de kopieerdrang van Estié te stoppen. Wel dreigde Rozenburg met een verbod op de deelname van PZH aan tentoonstellingen en activiteiten van de Verenigde Nederlandse Keramiekproducenten. Ook werd PZH uitgesloten van deelname aan de Wereldtentoonstelling in Turijn in 1902 omdat de fabriek niet “in de termen valt om vertegenwoordigd te zijn”. Belangrijkste overweging voor deze beslissing van de organisator was dat alleen “oorspronkelijk werk” werd toegelaten.

De Kroon als einde van een carrière
Estié verliet Plateelbakkerij Zuid-Holland in 1905 na een zakelijk conflict en verkocht zijn aandelen aan de familie Hoyng, directeur van een keten van winkels voor luxe huishoudelijke artikelen in Den Haag, Utrecht en Amsterdam. Een jaar later, in februari 1906, startte Estié weer een nieuwe fabriek: Porceleinfabriek De Kroon in Noordwijk. Estié had de ambitie om bij De Kroon hoogwaardig porselein te maken, zo kunnen we aannemen vanwege de naam van de fabriek. Maar ondanks de ambitie heeft de Porceleinfabriek De Kroon alleen aardewerk geproduceerd, in de drie korte jaren dat de fabriek heeft bestaan. Objecten van De Kroon, vaak ontworpen door Henri Breetvelt, zijn dan ook zeer zeldzaam. Estié verkocht eind 1906 al zijn aandelen aan zijn mede-oprichter en financier, Carl Fortmann. Al in 1909 werd de productie gestaakt en in 1910 ging de fabriek Failliet. Egbert Estié sterft in datzelfde jaar op 44-jarige leeftijd.
Rond 1900
Dit artikel is geschreven door Carolien Vader voor het septembernummer van het magazine: Rond 1900, van de Vereniging Vrienden Nieuwe Kunst 1900. Het gehele magazine kun je teruglezen op de site van de vereniging.
Veel dank gaat naar Ridgetop Collection voor een deel van de fotografie, afkomstig uit het boek: De Plateelbakkerij Zuid-Holland, 1897-1908, Opnieuw Bekeken.

